Intensiteit embedded software neemt explosief toe
Het aandeel van software in de meest uiteenlopende apparaten, zowel consumentenproducten als professionele machines, neemt voortdurend toe. Rond vier technologieclusters is onderzocht welke kant de ontwikkelingen uitgaan. Professionalisering zal steeds meer nodig zijn. Maar van de andere kant laat de hoogste technologiebaas van Philips, Ad Huijser, zich ontvallen: “Als je het mij vraagt blijft software bouwen voorlopig gewoon een kwestie van debuggen.”
Maarten Legius
“Toch mis ik de business-case in die onderzoeksprojecten,” laat de hoogste technologiebaas van Philips, chief technology officer Ad Huijser zich ontvallen, “ze zijn erg op techniek gebaseerd. Maar ik begrijp het wel, ik weet waar ze vandaan komen.” Het is vrijdagmiddag 8 oktober, en Huijser staat van een koud glas bier te genieten op het terras van een congrescentrum in het voor het jaargetijde ongewoon warme Spaanse Sevilla. Hij heeft net zijn drukbezochte keynote-speech achter de rug voor Europese onderzoekers van technologiebedrijven als Thomson, Philips, Siemens, Bosch en Volvo. Zij zijn voor de vijfde maal bijeen om tijdens een symposium van twee dagen elkaar bij te praten over hun gezamenlijk onderzoek in softwareintensieve systemen, dat onder de naam Itea (information technology voor European advancement) gestart is in 1999. In die tijd was Huijser nog directeur van Philips Research, dat ook enkele tientallen deelnemers naar Sevilla heeft afgevaardigd.
De deelnemende bedrijven hebben gemeen dat ze donders goed beseffen dat ze niet ontkomen aan de trend van digitalisering. En het is om het even wat voor producten worden gemaakt. Of dat nu medische apparaten, auto's, mobiele telefoons, vaatwassers, copiers, lithografiemachines of elektronenmicroscopen zijn, het aandeel software in die apparaten en machines, zowel uitgedrukt in kilobytes als ontwikkelgeld, neemt gestaag toe. Het feit dat de onderliggende hardware alsmaar sneller en goedkoper wordt versnelt deze trend alleen maar. In zijn keynote haalt Huijser met de ontwikkeling van een kleuren-tv een voorbeeld uit eigen huis aan: “Zelfs in een simpele analoge tv zit al 2 megabyte software en de omvang van die software stijgt exponentieel.”
En daar heeft Huijser meteen een waarschuwing voor zijn toehoorders in petto. “De behoefte aan software groeit explosief, maar de productiviteit in software doet dat niet. Er ontstaat een kloof tussen die twee. Er bestaan simpelweg niet genoeg software-ontwikkelaars. Bovendien neemt de complexiteit van die software toe met de omvang.” Later relativeert Huijser deze uitspraak door te stellen dat Philips nog steeds kan maken wat ze van plan is om te maken. “Wel is er steeds meer behoefte aan productiviteitsverhogende technologie, zoals het hergebruik van softwarecomponenten en de ontwikkeling van generieke platformen.”
Verder kan de complexiteit van systemen verminderen door standaardhardware te gebruiken. “Maar daar staat weer tegenover dat de performance van het systeem juist zal toenemen met op maat gemaakte hardware.” Zaak is een optimum te bereiken voor wat betreft kosten, complexiteit, flexibiliteit en prestatie. “Daarom is één van onze nieuwe bedrijven, Silicon Hive in Silicon Valley, bezig zich af te vragen hoe je silicium kunt herconfigureren voor nieuwe taken, in plaats van telkens nieuwe chips te bouwen.”
Vier technologieclusters
Doel van Itea is de Europese industrie naar een leidinggevende positie te manoevreren op het gebied van software-intensieve systemen, ook wel aangeduid als embedded systemen. Hiertoe tracht de organisatie middels roadmaps de evolutie van de applicaties in de diverse domeinen, waaronder automotive, mobiele communicatie en consumentenelektronica, in kaart te brengen. Op grond van die prognoses wordt afgevraagd welke technische bouwstenen en gereedschappen noodzakelijk zijn om die applicaties te bouwen. Vervolgens worden onderzoeksvoorstellen geselecteerd die in die behoefte aan technologie en tools zouden kunnen voorzien. In 2001 is voor de eerste maal een dergelijke roadmap gepubliceerd. Afgelopen mei zag de tweede editie het levenslicht, waar meer dan 60 deskundigen in gestructureerde praatsessies aan hebben bijgedragen. De nieuwe roadmap presenteert haar bevindingen rond vier technologieclusters.
Het eerste cluster betreft gegevens. Onder gegevens (content) wordt alles verstaan wat binnen een systeem of tussen systemen wordt uitgewisseld. Het wordt verwerkt, opgeslagen, gemanaged en getransformeerd. Gegevens variëren van eenvoudige analoge signalen tot enorme hoeveelheden multimediale data; van de enkele bytes die nodig zijn om een lamp aan te schakelen tot de miljarden bytes die om de hoek komen kijken bij bijvoorbeeld machine vision. Het wekt geen verbazing dat de hoeveelheid gegevens snel groeit. ‘We betreden het tijdperk van hoge-kwaliteit, hoge-resolutie multimediastromen, de meest uitdagende en systeembelastende vorm van content die we kennen,' zo valt in de roadmap te lezen.
Infrastructuur is het tweede technologieveld dat onderzoek behoeft. Simpel gezegd gaat het om netwerken en al de protocollen, transportmechanismen en netwerkdiensten die daar bij nodig zijn. Omdat men verwacht dat straks alles met alles in verbinding staat, evolueren de netwerken van een relatief eenvoudige infrastructuur voor datatransport naar netwerkdiensten, met zaken als afrekenmechanismen, gegevensopslag en profilering als extra services. De netwerken moeten tegelijkertijd eigendoms- en toegangsrechten kunnen managen, de privacy kunnen garanderen en last but not least veilig zijn. Veilig heeft in deze overigens een dubbele betekenis. Data mag alleen die personen bereiken die geautoriseerd zijn en daarnaast moet die data volledig en correct zijn.
|
Modulaire elektronica voor auto's Grofweg 90 procent van de innovaties in de automobielindustrie zijn mogelijk dankzij elektronica en software. Het gaat inmiddels al om de helft van de ontwikkelkosten voor een nieuw model auto. Zo heeft een Mercedes of BMW uit de dure klasse meer dan 60 microprocessoren aan boord. Naast systemen voor motormanagement, stabilisatie, sturen en remmen, betreft het de bediening van ramen, deuren, verlichting en airco. Europa loopt voorop in deze ontwikkeling en met name op het gebied van veiligheidssystemen. Om die voorsprong te behouden en uit te bouwen, werken Duitse, Franse en Zweedse automobielfabrikanten samen met hun toeleveranciers aan een nieuwe systeemarchitectuur. Momenteel is het namelijk zo dat voor elke functie in de auto een toeleverancier een specifieke module levert. Dat zijn meestal eilandapplicaties. Het project EAST-EEA (http://www.east-eea.net/) van Itea werkt aan een open architectuur waarin alle systemen, subsystemen en componenten in een netwerk met elkaar worden verbonden. Alleen dan is het mogelijk, zo is de gedachte, de kosten en ontwikkeltijd van die toenemende complexiteit te beheersen. De architectuur gaat uit van een basislaag van hardwaremodules, de zogenoemde electronic control units (ECU). Ook de software wordt zoveel mogelijk gestandaardiseerd, zodat die herbruikbaar is bij de ontwikkeling van nieuwe functies. Tot slot probeert men functies te delen in de elektronische modules die verspreid zijn over het voertuig. |
Nummer drie uit Itea's techologie-top-4 is het onderwerp mens/machine-interactie (mmi). Hoe bouw je gebruikersvriendelijke interfaces op apparaten waarvan de functionaliteit voor een belangrijk deel op software is gebaseerd? Het valt nu al niet mee een elektronische thermostaat in te stellen en veel functies van een mobiele telefoon worden nooit gebruikt. En als er in de autobladen al wordt geklaagd over een nieuwe bolide van BMW, gaat het vaak over de bediening van en interactie met de boordcomputer. En in een omgeving waar apparaten – ja, ook de auto – meer en meer onderdeel worden van een netwerk en gegevens gaan uitwisselen met hun omgeving, wordt het gevoel geen controle te hebben steeds groter. Itea onderkent dit probleem en heeft het uiteraard als een uitdaging gedefinieerd: ‘Onze uitdaging is de gebruikers het gevoel terug te geven dat zij controle hebben over de systemen en niet andersom.' Itea is namelijk – terecht – van mening dat gebruikers in toenemende mate dat gevoel verliezen. Hier ligt een niet geringe taak dat proces tot stoppen te brengen en om te keren.
Tot slot heeft Itea engineering benoemd als nader te onderzoeken technologiecluster. Hier gaat het over de gereedschappen en methodieken die nodig zijn om de applicatie te kunnen bouwen. Omdat de systemen steeds complexer worden, wordt niet alleen de realisatie van deze soft- en hardware steeds moeilijker, maar ook het onderhoud van de systemen ondergaat dramatische veranderingen. Volgens de onderzoekers bestaat er een toenemende spanning tussen de ontwikkelkosten en snelheid van ontwikkelen (time-to-market) enerzijds, en de kwaliteit en doeltreffendheid van de producten anderzijds. De effectieve ontwikkeling van efficiënte, betrouwbare en veilige systemen behoeft nog veel onderzoek naar nieuwe notatiemethoden, ontwikkelmethodieken, implementatietechnieken, procesrichtlijnen en onderhoudsondersteuning. Dat op al deze vlakken een achterstand bestaat wijten de onderzoekers aan het feit dat de ontwikkeling van embedded software nog een relatief jonge discipline is. ‘Software-ontwikkeling wordt nog steeds meer gezien als een kunst dan als een volwassen ontwikkeldiscipline,' zo valt in de roadmap te lezen. Een lachende Huijser ziet dat ook niet snel veranderen. “Als je het mij vraagt blijft software bouwen voorlopig gewoon een kwestie van debuggen.”
|
Kosten verschuiven van hardware naar software Van computertechnologie, zoals processoren, geheugen en draadloze communicatie verbeteren de prestaties volgens een exponentiële curve. Bovendien dalen de kosten van processoren en geheugen elke tien jaar met maar liefst een factor 1000. “En fundamentele begrenzingen zijn nog niet in zicht”, aldus Ad Huijser, chief technology officer van Philips in zijn keynote op het Europese Itea-congres. Alleen batterijtechnologie, belangrijk voor draagbare apparatuur, blijft achter in ontwikkeling. “Dat is dan ook fysica.” Daar staat tegenover dat de ontwikkelkosten van de software sterk stijgen. “Zo is dat voor onze pick-and-placemachines al de helft van de totale ontwikkelkosten.” Huijser doelt op machines die met grote snelheid minuscule elekronicacomponenten op printplaten plaatsten, zoals Philips die voor de productie-industrie maakt. |
Het karakter van software
De tweede roadmap van Itea bevestigd voor een belangrijk deel de conclusies uit de eerste roadmap van maart 2001. Toen werd reeds voorspeld: ‘Onze technologische omgeving zal steeds meer bestaan uit applicaties in netwerken, die bovendien in toenemende mate autonoom functioneren en steeds organiseren.' Daarmee wordt bijvoorbeeld bedoeld dat de eindgebruiker van producten steeds minder handelingen hoeft te verrichten, maar dat zijn mobiele telefoon zelf de aanwezigheid van een bluetoothstation herkent, zijn machines zelf de onderhoudsbehoefte monitoren en doorgeven aan een servicebedrijf en dat zijn auto automatisch terugschakelt als er een auto van rechts nadert.
In de drie jaar tussen de eerste roadmap en de tweede roadmap zijn een aantal fundamentele zaken duidelijker voor het voetlicht gekomen. Met name het speciale karakter van software, namelijk de relatief hoge kosten om die te ontwikkelen tegenover de lage kosten van vermenigvuldigen, vraagt aandacht van de onderzoekers. In de fysieke wereld van bouten en moeren waar we tot nu toe mee te maken hadden gelden immers andere wetten. Daarnaast verbazen de onderzoekers zich over de veelomvattendheid van software en de wijde verbreiding ervan voor wat betreft applicatiedomeinen.
Dat vergt een omslag in de manier waarop die software moeten worden gebouwd. ‘We zijn getraind om oerdegelijke pyramides of kathedralen van software te bouwen,' zo concluderen de onderzoekers in de meest recente roadmap, ‘binnen gerespecteerde en traditionele organisaties, onder de leiding van één architect en één hoofdaannemer.' In de nieuwe situatie is er echter sprake van een grote hoeveelheid spelers, die onderdelen maken van een groter geheel, en dus een bepaalde dynamiek met elkaar hebben, maar tegelijkertijd uiterst divers kunnen zijn en zelfs met elkaar kunnen botsen. De vraag is hoe in deze nieuwe werkelijkheid van breekbare samenwerking de volgende vier aspecten zich zullen verhouden, zo besluit de roadmap: ‘respect voor intellectueel eigendom, de aanvaarding en ontwikkeling van open standaarden, de onderkenning van productaansprakelijkheid en een snelle toegang tot de markt.' Als het aan Itea ligt, is er nog voldoende werk om een eventuele tweede termijn vol te maken.
| FACTS | |
| Itea staat voor | Information Technology for European Advancement |
| Doel | katalysator in onderzoek en ontwikkeling op het gebied van embedded en gedistribueerde software |
| Looptijd | 1999 – 2007 |
| Inititiatiefnemers | Philips, Alcatel, Barco, Bosch, Bull, DaimlerChrysler, Italtel, Siemens, Thales en Thomson |
| Aantal projecten | 61 |
| Aantal proj. gereed | 30 |
| Manjaren geïnvest. | 8.000 |
| Kapitaal geïnvest. | 1 miljard euro |
| Aantal deelnemende landen | 21 |
| Aantal betrokken onderzoekers | 350 |
| Meer informatie | |